Warmtenet met aquathermie in Harderwijk

17 maart 2022

In de nieuwe wijk Waterfront in Harderwijk worden woningen straks verwarmd met restwarmte van de nabijgelegen rioolzuiveringsinstallatie. Het warmtenet is zo ontworpen dat er in de toekomst ook andere bronnen kunnen worden ingezet én buurten in de omgeving kunnen worden aangesloten.
In een vooronderzoek heeft de gemeente verschillende duurzame warmte-opties verkend. Een warmtenet met thermische energie uit afvalwater en oppervlaktewater is daarbij als meest haalbare, betrouwbare en betaalbare oplossing naar voren gekomen. Het uitgangspunt is dat het warmtenet betaalbaar is, open staat voor verschillende bronnen en leveranciers, bijdraagt aan een forse vermindering van de CO2-uitstoot en opschaalbaar is naar andere gebieden.
Het warmtenet maakt in eerste instantie gebruik van gezuiverd afvalwater van de rioolwaterzuivering van het Waterschap Vallei en Veluwe in het nabijgelegen bedrijventerrein Lorentz. Het afvalwater, met een temperatuur van 8 tot 25°C, wordt via een warmte-koude-opslagsysteem (WKO) naar de woningen getransporteerd. In de zomer levert het systeem comfortkoeling.
Het warmtenet in Harderwijk wordt aanvankelijk ingezet voor 1.110 nieuwe woningen in Waterfront. In de toekomst is het warmtenet uitbreidbaar naar woningen en gebouwen in de buurt, zoals het stadhuis en een deel van de nabijgelegen Zeebuurt.

Afschaffen ondemocratische ‘geborgde’ zetels weer stapje dichterbij


Het initiatiefwetvoorstel van GroenLinks en D66 over de geborgde zetels van de waterschappen is een volgende fase ingegaan. De Kamerleden Laura Bromet en Tjeerd de Groot hebben met de nota naar aanleiding van het verslag antwoord gegeven op de vele vragen van de Tweede Kamer over het wetsvoorstel.
In 36 pagina’s gaan de Kamerleden in op vragen over o.a. de gevolgen van de wet voor de kwaliteit van het waterschapsbestuur en waterbeheer en de achtergrond en motivatie van dit voorstel.
De initiatiefnemers geven aan dat zij het advies van de ommissie Boelhouwer hebben gevolgd, die adviseert om de geborgde zetels helemaal af te schaffen. Uit de quick scan van de commissie Boelhouwer en het Centrum voor Onderzoek van de Economie van Lagere Overheden blijkt dat op dit moment sprake is van een oververtegenwoordiging van bepaalde belangen.
De initiatiefnemers antwoorden hierop dat het afschaffen van de geborgde zetels niet betekent dat de belangen die deze zetels vertegenwoordigden niet meer in de waterschapsbesturen vertegenwoordigd ‘mogen’ zijn: de vertegenwoordigers van deze belangen staat het immers vrij om via partijen aan de waterschapsverkiezingen mee te doen.
Bromet en De Groot vinden het voor een belangenorganisatie hun goed recht om de belangen zo vaak als zij wensen in een besluitvormingsprocedure in te brengen. Dit moet alleen niet betekenen dat deze specifieke belangengroepen ook nog aangewezen zetels moeten krijgen.

Arnhem over een eeuw – een toekomstvisie


Na de kaart van het groene Nederland van 2120 schetsen Wageningse wetenschappers nu ook hoe de stad van 2120 eruitziet – met Arnhem als concreet voorbeeld.
Drijvende, houten woontorens, ventilatiecorridors die de binnenstad een verkoelende bries bezorgen, energie uit waterkracht via een stelsel van ondergrondse buizen en meertjes op de Veluwe: de Wageningse visie op het Arnhem van de 22e eeuw bevat allerlei voorzieningen die tot de verbeelding spreken. ‘Doemscenario’s over de toekomst zijn er al ruimschoots. Deze verkenning laat zien dat een rooskleurig toekomstbeeld óók haalbaar is, mits Nederland er tijdig op voorsorteert. Als we willen, kunnen we over vijftig jaar al een heel eind op weg zijn naar een toekomstbeeld zoals dit. Maar dan moeten bestuurders en beleidsmakers wel vlot in actie komen, en niet eerst nog jarenlang afwachten.’
Dat juist Arnhem de plaats van handeling is van de urbane toekomstvisie, is geen toeval. De stad ligt op het snijpunt van twee belangrijke Nederlandse landschapstypen: het rivierengebied en de hogere zandgronden. Het onderliggende idee is dat het natuurlijke systeem leidend is, en dat we de keuzes voor de stedelijke ontwikkeling daarop enten. Als de natuurlijke context vergelijkbaar is, zijn dezelfde principes toepasbaar op andere locaties. De visie biedt daardoor aanknopingspunten voor zowel de laaggelegen steden in onder andere de Randstad, als voor hoog en droog gelegen steden zoals Nijmegen en Apeldoorn.

Zowel de rivier als het reliëf rond de stad zijn leidend voor het toekomstbeeld van Arnhem. Beeld WUR.

Voorkomen van schade aan groen door droogte


Hoe voorkom je schade aan groen door droogte in stedelijk gebied? Dat was de centrale vraag in een onderzoek van het Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK). De resultaten zijn samengevat in een ‘Green Paper’.
De gemeente Amersfoort werkte mee aan het onderzoek. Al een aantal jaren zet de gemeente in op het optimaliseren van de groeiplaatsomstandigheden voor bomen. “Dat betekent zorgdragen voor een goede bodem en een optimale infiltratie. Daarnaast is goede vochttoevoer nodig in gebieden met lage grondwaterstanden, terwijl in gebieden waar het juist te nat wordt water moet worden afgevoerd.
Voor de droge gebieden zoekt Amersfoort naar manieren om regenwater langer vast te kunnen houden. Dit kan bij groeiplaatsen door organisch stof aan de bodem toe te voegen, maar ook door ondergrondse reservoirs aan te leggen die het vocht gedoseerd aan de bodem teruggeven. Dat laatste is nog niet zo eenvoudig, zowel qua techniek als qua bodembeslag.
Meer biodiversiteit maakt de natuur robuuster. Wat niet helpt is het storten van zand bij nieuwbouwprojecten, dat resulteert in een overgangslaag die niet goed waterdoorlatend is. Dit gaat echt nog niet overal goed, zeker niet als zware machines de boel nog eens aandrukken. Dit is niet een aandachtspunt voor Amersfoort, maar voor alle Nederlandse gemeenten.
Behalve door te planten en herplanten, probeert de gemeente Amersfoort ook preventief schade aan groen te voorkomen door te zoeken naar “de juiste boom op de juiste plek”. Het gaat om soorten die wisselingen tussen extreem hoge en lage grondwaterstanden aankunnen. Stapsgewijs worden soorten die overgevoelig zijn voor natheid en droogte vervangen door soorten die dat soort omstandigheden wel aankunnen.

Coalitieakkoord is best wel watervriendelijk

4 januari 2022

Hoe watervriendelijk is het coalitieakkoord van VVD, D66, CDA en CU? Wij van Water Natuurlijk, de grootste waterschapspartij van Nederland, heeft het akkoord van de regeringspartijen met een ruime voldoende beoordeeld op watervriendelijkheid. Alleen die ruime voldoende blijkt wel het gemiddelde van de watervriendelijkheid van de vier partijen. En dat valt dan wel weer een beetje tegen. Met partijen als D66 en ChristenUnie, die beiden een dikke 9 scoorden, had er volgens ons meer ingezeten.


Op de doelen voor het thema klimaat scoort het coalitieakkoord erg hoog. Water Natuurlijk is ook tevreden dat de coalitie aandacht heeft voor water als ordenend principe bij ruimtelijke ontwikkelingen. Verder scoort het coalitieakkoord goed op klimaatadaptatie zowel in de stad als in het ommeland, is er aandacht voor circulariteit en het principe dat de vervuiler betaalt.
Als het gaat over natuurnetwerk is Water Natuurlijk nog niet overtuigd van de ambities van de coalitie. Dit, ondanks de aandacht die er is voor biodiversiteit. Over de afstemming van de nitraatrichtlijn op de kaderrichtlijn water blijft het coalitieakkoord vaag. Hier is ruimte voor verbetering. Ronduit slecht zijn de plannen van de coalitie als het gaat om schoon water en de aanpak van droogte.
Ook vindt Water Natuurlijk het een gemiste kans dat het akkoord niets vermeldt over de afschaffing van geborgde zetels. Een zeer actueel thema, dat met de waterschapsverkiezingen in 2023 in het vooruitzicht, nu geregeld had kunnen worden. En datzelfde geldt voor de financiering van lokale politieke partijen. Die blijven met dit akkoord achtergesteld bij politieke partijen die deel uitmaken van de Tweede Kamer. De plannen in het coalitieakkoord krijgen een ruime voldoende. Nu de uitvoering nog.

Gebruik uitvoeringskracht waterschappen


Het coalitieakkoord stelt tot maar liefst 25 miljard euro beschikbaar voor een transitiefonds om de ‘uitdagingen in landbouw en natuur’ aan te pakken. Een ‘krachtige regie-organisatie’ ondersteunt dit proces en ‘stuurt indien nodig bij. We maken per gebied ook inzichtelijk wat het toekomstperspectief voor de landbouw is’.

Verder stelt het nieuwe kabinet: ‘In de gebiedsgerichte aanpak kunnen extensivering, omschakeling, innovatie, legalisering en verplaatsing helpen bij versnelling van verduurzaming in de landbouw. Daarbij wordt rekening gehouden met natuurlijk verloop in de sector. Het kabinet stelt verder: ‘In gebieden waar de opgave tot emissiereductie en natuurherstel dermate groot is dat vrijwilligheid niet langer vrijblijvendheid betekent, gaan we op het boerenerf het gesprek aan om samen te zoeken naar de mogelijkheden. Met een grondbank vergemakkelijken we de instap voor jonge boeren en het vinden van ontwikkelruimte. Deze grondbank geeft vrijkomende grond uit te voor het extensiveren, omvormen en verplaatsen van bedrijven vanboeren die graag door willen en voor natuur.’

Voor Water Natuurlijk blijft nu de vraag, of het nieuwe kabinet waar nodig ook durft in te zetten op krimp van de veehouderij. Het zou een ernstige bedreiging zijn van het soms broze draagvlak in de regio, wanneer lokale en regionale betrokkenen wat dat betreft zelf de aardappels uit het vuur zouden moeten halen.

Een duidelijk signaal van het nieuwe kabinet dat de productie-omvang in de landbouw écht omlaag moet om water-, milieu- en natuurdoelen te kunnen halen, kan voorkomen dat de regionale verhoudingen tussen partijen op de proef worden gesteld. Dat is een belangrijke voorwaarde voor echte uitvoering van dit beleid.

Het is ook de vraag welke invulling de ‘krachtige regie-organisatie’ van het nieuwe kabinet gaat krijgen. Wil het kabinet de Dienst Landelijk Gebied opnieuw gaan oprichten? Het lijkt wijs om – in ieder geval voor de kortere termijn – voort te bouwen op de bestaande uitvoeringskracht van de waterschappen.

Het zou goed zijn als de waterschappen hier geen afwachtende houding aannemen, maar bij het nieuwe kabinet en de provincies snel zelf een bod op tafel leggen.

Gijzelt vrijwilligheid de aanpak van verdroging?


Wat kunnen we leren van recente gebiedsgerichte processen? De Wageningse Universiteit heeft onlangs een evaluatie gemaakt van gebiedsprocessen voor natuurontwikkeling.

De meeste provincies hebben na de decentralisatie van het natuurbeleid (2011) en het Natuurpact (2013) gekozen voor een meer sectorale gebiedsgerichte aanpak in het realiseren van het Natuurnetwerk. Dit betekent dat de natuuropgave in deze gebiedsprocessen centraal staat en andere (beleids)doelen geen of een secundaire rol spelen.

De meeste provincies hadden daarbij aanvankelijk een voorkeur voor vrijwillige grondverwerving en zelfrealisatie. Dan is 100% realisatie van natuurdoelen lastig, omdat dit in hoge mate afhankelijk is van de bereidheid van grondeigenaren om mee te werken aan zelfrealisatie of grondverwerving.
Via een actieve benadering van grondeigenaren komt men vaak een heel eind, maar in veel gebieden blijft een aantal grondeigenaren over die niet willen meewerken. De provincie heeft bij een vrij sectoraal gebiedsproces dan alleen de optie om meer flexibel om te gaan met de begrenzing en/of de natuurdoelen om beter te kunnen aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van grondeigenaren. In dat geval is de kans groot dat de natuurdoelen niet voor 100% worden gehaald.

De Zumpe bij Doetinchem is een van de bestudeerde gebieden. Hier is een groot deel van de natuuropgave gerealiseerd via vrijwillige grondverwerving of zelfrealisatie. Maar 100% doelrealisatie leek op het moment van deze studie (2019) niet mogelijk. Tenminste één particuliere grondeigenaar wil ten tijde van het onderzoek niet meewerken en voor een aantal anderen was dit nog onzeker. Het gevolg is dat de natuurbegrenzing op deze plekken moet worden aangepast en de beoogde nieuwe natuur op andere plekken moet worden gerealiseerd.

In het gebied Aaltense Goor stond de inrichting van reeds eerder verworven gronden centraal. Hier zijn de oorspronkelijke natuurdoelen veel rigoureuzer aangepast dan in de Zumpe. Opmerkelijk genoeg ging het in dit gebied niet zozeer om gebrek aan medewerking van de grondeigenaren (de grond was al verworven), maar om protesten van omliggende landbouwbedrijven tegen de verdrogingsanapak. De grondeigenaren waren niet bereid om buiten het natuurgebied maatregelen te treffen om de verdroging te beperken. Vervolgens zijn de oorspronkelijke natuurdoelen flink (naar beneden) bijgesteld van blauwgrasland naar vochtig hooiland en kruiden- en faunarijk grasland.

Ondanks dat het merendeel van de provincies kiest voor vrij sectoraal opgezette gebiedsprocessen bij de realisatie van het Natuurnetwerk, zijn er ook nog provincies die kiezen

voor realisatie van nieuwe natuur in meer, meestal vrijwillige, integrale gebiedsprocessen.
In integrale vrijwillige gebiedsprocessen zijn meer mogelijkheden voor uitruil van belangen en het schuiven met grond. Dit biedt mogelijkheden voor natuurrealisatie door natuurdoelen te combineren met andere doelen zoals landbouwstructuurverbetering of recreatie. Deze processen kosten wel vaak veel tijd, en succes is afhankelijk van ruimte op de regionale grondmarkt (en de mogelijkheden om ruilgrond te kopen).

Inmiddels kiezen provincies onder druk van natuurverplichtingen steeds meer voor dwingende instrumenten. Bij dwingende sectorale gebiedsprocessen lijkt 100% realisatie gemakkelijker omdat via onteigening medewerking van de grondeigenaar in principe kan worden afgedwongen. De bijbehorende procedures kosten wel veel tijd en geld en vragen om volledige schadeloosstelling bij grondverwerving. Bovendien is politieke bereidheid nodig in provincies om het dwingende instrumentarium daadwerkelijk in stelling te brengen voor natuurdoelen.

Opvallend is dat het instrument van de wettelijke herverkaveling (uit de Wet Inrichting Landelijk Gebied WILG) dat bij uitstek geschikt is voor dit soort integrale gebiedsprocessen door provincies niet meer wordt ingezet voor realisatie van de natuuropgave. Wettelijke herverkaveling is juist bedoeld om een dwingende aanpak te combineren met het realiseren van landbouwdoelen en andere gebiedsdoelen zoals natuurrealisatie. Door grond te ruilen kan onteigening worden voorkomen.

Daarnaast voorziet de WILG in het instrument van de korting; alle grondeigenaren krijgen dan iets (tot 5 procent) minder grond toegewezen dan ze hebben ingebracht. Ook zo kan onteigening worden voorkomen.

Wijzig de Wet financiering politieke partijen!


De VNG, het Kennispunt Lokale Politieke Partijen en de Unie van Waterschappen een herhaalde oproep voor de structurele financiering van lokale politieke partijen.
Water Natuurlijk ondersteunt die oproep van harte. We zijn landelijk de grootste waterschapspartij. Maar anders dan de partijen die ook in de Tweede Kamer zijn vertegenwoordigd, betalen we als leden en vooral ook bestuurders (via een verplichte afdracht) helemaal zelf al onze kosten.

Bij de meest recente waterschapsverkiezingen waren lokale partijen het grootst met 41% van de stemmen. Bij de gemeentelijke herindelingsverkiezingen in november 2020 werden lokale partijen in alle gemeenten veruit de grootste.

Om lokale politieke partijen goed toe te rusten op hun belangrijke taak in de lokale democratie is het van belang dat zij daarvoor adequate ondersteuning krijgen. Het gaat dan o.a. om het opleiden en voorbereiden van politiek ambtsdragers, het deugdelijk organiseren van kandidaatstellingsprocedures en het samenstellen van een verkiezingsprogramma, communicatie met en activiteiten voor leden en inwoners, opkomstbevordering bij verkiezingen en algemene professionalisering van de politieke partij als stichting of vereniging. Zonder landelijk partijbureau om op terug te vallen voor kennis, wetenschappelijk onderzoek, ICT en juridische ondersteuning en modelreglementen en programma’s, is het voor besturen van lokale politieke partijen een grote uitdaging om alle taken en verantwoordelijkheden goed uit te voeren. De nood voor een beter toegeruste lokale democratie wordt steeds groter, vanwege de grote opgaven waar gemeenten en waterschappen op dit moment voor staan

Vallei en Veluwe stelt Blauw Omgevingsprogramma vast


In november stelde waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) officieel vast. Het BOP is een gebiedsgericht programma dat door een uitge- breide participatieaanpak is ontwikkeld en vormgegeven. Het waterschap ‘verbinden hierin zijn eigen doelen aan de maatschappelijke opgaven zoals de klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, hervorming land- bouw, natuur- en stikstofopgave en de verstedelijking. Dit doen we door, in de geest van de omgevingswet, het ge- bied centraal te stellen.’

Water Natuurlijk staat helemaal achter deze doelen, maar betreurt het wel dat er bij andere partijen onvoldoende draagvlak was om hiervoor tegelijk ook de financiële mid- delen beschikbaar te stellen. Wellicht volgend jaar een herkansing?

Waterkwaliteit: kabinet riskeert problemen EU


Al jaren is het halen van een goede waterkwaliteit voor Nederland een uitdaging. De nitraatvervuiling van ons grond- en oppervlaktewater is daarvan een treffend voorbeeld. Voorlopig blijven een goede waterkwaliteit helaas nog ver buiten bereik. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft het concept beoordeeld van het nieuwe Zevende Actieprogramma Nitraatrichtlijn. Helaas gaat dit ons weinig gaat helpen. Daarmee neemt het kabinet welbewust het risico dat de Europese Commissie Nederland in gebreke kan gaan stellen.
De Europese Nitraatrichtlijn heeft als doel de waterkwaliteit te beschermen en te verbeteren door te voorkomen dat mest- en meststoffengebruik het grond- en oppervlaktewater verontreinigen en door goede landbouwpraktijken te stimuleren. Om aan de doelstellingen van deze richtlijnen te voldoen, wordt iedere vier jaar een actieprogramma opgesteld dat het rijksbeleid omvat om de nitraatvervuiling terug te dringen.
Het Milieueffectrapport laat zien dat dit actieprogramma evenmin als de eerdere actieprogramma’s leidt tot het op tijd halen van de Europese milieudoelen. De consequentie daarvan is dat drinkwater voor mens en vee, zwem- en recreatiewater, een gezonde bodem en een goed ontwikkeld waterecosysteem voor de lange termijn niet geborgd kunnen worden.
In vorige adviezen over de voorgaande actieplannen heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage benadrukt dat een integrale aanpak essentieel is, zowel voor het behalen van de doelen als om duidelijkheid te bieden aan de landbouwsector. Daarnaast constateerde zij dat er een grote stapeling van regels en voorschriften is, wat het beleid complex en ondoorzichtig maakt. Ondanks de stapeling van regels ontbreekt inzicht in maatregelen waarmee de doelen wél gehaald kunnen worden en wat gedaan wordt bij tegenvallende resultaten.
De afgelopen jaren is volgens het MER onvoldoende vooruitgang geboekt en is de kwaliteit in sommige type gebieden zelfs verslechterd. Dit wordt volgens het MER mede veroorzaakt door twee jaren met droogte. Maar ook vóór deze periode was de daling in nitraatgehalten niet zodanig dat de doelstellingen gehaald zouden gaan worden. Bovendien zullen dergelijke periodes van droogte in de toekomst steeds vaker voorkomen en kunnen de effecten daarvan verhevigen, onder andere door beperkingen aan beregening. De Commissie constateert daarmee dat de eerdere adviezen nog steeds van toepassing zijn op (het MER voor) dit ontwerp zevende actieprogramma. Behalve de door het MER beschreven negatieve ontwikkelingen van de afgelopen jaren, ziet de Commissie daarbovenop nog verschillende ontwikkelingen op de langere en de (zeer) korte termijn die invloed hebben op de doelen van het programma, zoals de klimaatveranderingen, de wens voor een meer integrale aanpak in de Omgevingswet, mogelijke aanpassingen in mest- en stikstofbeleid en de afstemming met andere maatregelen voor waterkwaliteit en natuurverbetering.

De Commissie concludeert uit het MER ten onrechte geen reëel alternatief bevat waarmee het gewenste doelbereik wel kan worden gerealiseerd.
De Commissie heeft zoals gezegd een ontwerp van het zevende actieprogramma beoordeeld. Op verzoek van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gekeken naar de wijzigingen die later zijn aangebracht in dit concept van het Zevende Actieprogramma Nitraatrichtlijn.  zijn de wijzigingen beperkt, en valt er door de vele wijzigingen samen geen oordeel te vellen over de totale effectiviteit.

12345678910111213141516171819202122232425262728293031